May 08

Story – WriteNow! 2012

So I figured I wanted to post my entry for the WriteNow! contest somewhere, and figured I might as well do it here. It’s in Dutch, and it’s in rhyme. It’s called “Bij de zee” or “By the sea”


Bij de zee

O, Muzen, hoor mijn nederig stem

en breng mij, verlegen man, inspiratie

want ik zal niet dichten, anders dan bij uw gratie.

Niet in de dagen, stel ik met klem,

maar in de nachten zal ik schrijven

in uw naam wedijveren

met de onbekenden van dit land.

O, Erato, schildmaagd van liefdesspraak!

Getuige zij u, van mijn hand!

Kalliope, muze van het epos en de heldentaak

en schone Melpomene, bemind door Zeus

hoor deze tragedie van de kind’ren van Prometheus!

Hoor hen, bij de zee, bij de zee

 

Het was in een donker land, in Noorderkou,

waar woonde Ragnar, de dappere reiziger

tussen sneeuw en ijs, met zijn schone vrouw,

exotische Shariza. Nu in winden ijziger

dan ooit in haar beminde Damascus

waar de geliefden drie jaar terug ontmoetten.

In de weelde van diens tuinen viel de eerste kus

en hij bad haar: “Kom met me mee, boeten

zullen wij beide, wanneer wij deze zegen

van Freyja, liefdevolle godin, in de wind slaan.

Hier, in Damascus, verenigen zich onze wegen.”

Alsdus bad hij haar mee te gaan.

Mee, over de zee, over de zee

 

Mooie Shariza, haar huid was donker als

het geteerde hout van Ragnar’s schip. Doch voor hem

was niets zo schoon als de lijn van haar hals,

al was hij een man van de zee, de wind en het wasem

over de koude meren in de morgen.

Beloofd had hij, immer voor haar te zorgen,

maar op een koude septemberavond

kwam een bericht van zijn koning: “Terstond,

hoort nu dan, uw koning in nood, hoor zijn woorden,

een oproep aan alle vrije mannen van het Noorden!

De Frank schreeuwt naar ons zijn wapenspraak

komt allen en volbreng uw zwaardentaak!

Volhard! Over de zee, over de zee”

 

Het drakenschip lag wachtend, geteerd en zeebestendig,

alle wapenen aan boord en de bemanning behendig.

Voorts stortten zij zich nog eenmaal in drinkgelag

alvorens zij vaarden naar de Frank, de christen.

Zo proostten zij, “Odin!” en spraken over de dag

van hun hemelvader, die rijdt door de misten

op Sleipnir, achtbenig strijdros, tijdens Ragnarok

zoals ook zij zullen proberen

om Hem die de Runen bracht te eren,

door moed tegen Frankse vaandelstok.

Zij brengt hen mede met een lach, maar zij huilt.

Hoopt dat zij haar Ragnar niet voor kille leegte ruilt

Hier, bij de zee, bij de zee

 

In de grijze flarden van de morgenstond

vertrok hij met zijn broeders. Nog een

laatste maal drukte hij zijn lippen op haar mond.

Een omhelzing, tranen vielen op koude steen

en bevroren daar, waar zij hem het laatst zag

op de rotsen voor de kust van zijn koude land.

Nu wacht zij, aan de waterkant

bij haar tranen, op de dag

van zijn terugkeer. Ze kijkt daarheen

waar hij verdween en spreekt zijn naam,

opdat hij weer bij haar zal zijn en nooit meer zal gaan.

Ze denkt aan hem en zijn schip, thans alleen.

Alleen, op de zee, op de zee

 

Oktober kwam in stilte, over de oorlog

slechts geruchten van de handelaars.

Geen drakenschepen volgden in hun kielzog,

op hun dekken geen gewonde overwinnaars.

Elke ochtend kwam zij, ongeacht weer, wind of wolven.

In stormen van sneeuw en ijs stond Shariza, vol

verwachting en keek uit over de witte golven.

Volhardend in haar harnas van wol

tegen haar kille tegenstand, de angst, de kou

in elke ademtocht een wens

een gebed aan Goden en aan mens,

“Breng terug de man van wie ik hou.”

Terug, over de zee, over de zee

 

Zo stil als oktober ging, zo stil kwam de trol,

vermomd als mens, met haar verradelijke staart

weggeborgen in haar rokken, met kennis vergaard

over deze vrouw aan de zee, in harnas van wol,

wachtend op haar Ragnar. Trotse man,

bedreven in de zwaarddans, zoals de trol wist

want aan zijn zwaard had zij haar hand verkwist.

Vol van wraak, had zij een plan,

maar groette Shariza gelijk een oude vriendin, daar op de klif

“Op wie wacht jij, hier in de koude, arm kind?

Zoveel ijs voor een mens, is als gif,

kom hier en stap uit de wind,

die blaast, van de zee, van de zee”

 

“Op mijn man wacht ik, oude vrouw,

hij vecht voor de koning, tegen de Frank.

Dus ik sta hier, kijk over het waterblauw

wacht op zijn woordenklank.”

“Ach vrouw, wie is deze dappere krijger, op wie

gij wacht?” vroeg de trol met gedachten

vol venijn. “Ik wacht op Ragnar, die

mij voor het laatst kuste, hier, nachten

en nachten geleden.” De trol schudde haar hoofd.

“Ach arme kind, ik had het niet geloofd;

u zijt Shariza, en dit doet mij veel verdriet

‘t was in een storm dat hij zonk en het leven liet

in de kilte van de zee, van de zee”

 

Edele Shariza riep uit, in verdriet: “O wee is mij,

hier alleen achtergebleven in de Noorderkou

zonder mijn Ragnar, koene krijger van wie ik hou!

Wat rest mij nu, dan mij te voegen bij

hem, hier aan de bodem van de kliffen, tussen ijs

en zee, gebroken, maar immer aan zijn zijde.”

Doch dit was geen afdoende prijs

voor de trol, haatdragend, die haar benijdde

en stelde: “Driewerf nee, jij dwaze vrouw!

Er is nochtans een pad om hem te vinden.

Reis naar de torens van de IJskoninginnen,

vertel van rouw en liefdessmart, en zij helpen jou.”

Aldus zei zij, bij de zee, bij de zee

 

Zo geschiedde dat zij, schone Shariza, het pad

naar het Hoge Noorden ondernam, onder de hemelsfeer

waar nochtans de zon nooit schijnt. Dagen van weleer

met haar Ragnar nog in gedachte, opdat zij niet vergat;

haar doel, haar taak, daar, in de eeuwige winternacht

van de IJskoninginnen. Zij liep door sneeuw, door ijs,

immer naar het licht van golvende Aurora. Haar kracht

vergleed, haar zicht nam af. En zo eindigde haar reis

aan de voeten van de Vierde Koningin, sneeuwblind en de dood

nabij. “Lieve Koningin!” sprak Shariza zwak. “Hoor,

mijn laatste bede, voel in uw hart, zie het mijne, door

groot verlies gebroken. Breng mij naar Ragnar’s schoot

verloren, in de zee, in de zee”

 

De IJskoningin zag en zij zag alles, verraad en pijn

en eenzame tocht van moedig vrouw in harnas van wol

door weer en wind geslagen. “Ik moet eerlijk zijn,

edele vrouw, want ik heb geen hart en ben slechts vol

van niets dan ijs en kille waarheid. U zijt bedrogen

door verradelijke trol, vol van haat. Zij heeft gelogen

over koene Ragnar, machtig krijger, verloren op zee.

Hij leeft nog immer, verlangt naar u, haard en stee ,

de strijd met de Frank welhaast beslecht. Spoedig

zal hij wederkeren, doch u niet vinden. Lieve kind,

slechts dit kan ik doen: ik maak van u een Zuiderwind,

de warme passaat in zijn zeilen, voor eeuwig

dwalend over de zee, over de zee”

 

Nochtans bevroren haar laatste zilte tranen op

haar aangezicht. Het brandende gevoel van kilte stierf langzaam

weg en zo ook de verslagen vrouw. In straffe galop

reden de Walkuren reeds op haar aan. Eenzaam,

bevroren, liet Shariza haar eindademtocht

ontsnappen, glippen door bepantserde hand

van Odin’s schildmaagd. En over het ijzig land

stuurde de Koningin haar, naar de horizon zo lang afgezocht

door verlangende blik, daar op de klif

waar haar bevroren tranen grif

bedekt werden door sneeuw en vergetelheid.

Nimmermeer zal zij daar staan, in de ochtendtijd,

spiedend, naar de zee, naar de zee

 

Het was in een donker land, in Noorderkou,

waar koene strijder Ragnar terugkeerde naar zijn vrouw,

schone, exotische Shariza. Zijn schip zeilde binnen

met eerste lentewarmte en dauw, zijn zinnen

gezet op welkomstmaal en warme omhelzing.

Maar waar hij zocht, daar vond hij niet,

want zijn huis was leeg, koud en verlaten. Verdriet

overmande hem, en zo beriep hij, stem gebroken, de Thing,

waarin hij sprak: “Waar is nu mijn hartenlief?

Waarom is zij niet in mijn stee, mijn hoeve?

Vertel mij, vrije mannen van vredesgerief

wat gebeurde er, dat mij nu zo bedroeve,

hier, bij de zee, bij de zee?”

 

Geen wederspraak volgde, allen bleven het antwoord schuldig,

Shariza was maanstonden geleden verdwenen,

slechts de goden wisten waarheen. Zij schudden veelvuldig

hun bitter gelaat, en vertelden over de klifstenen

waar zij gestaan had, in weer en wind,

in harnas van wol, wachtend op haar man.

Zo toog Ragnar naar de klif, waar zijn vrouw, zo bemind

had gestaan, haar tranen gedooid, vervlogen en van

steenbodem gevaagd. Aldus trof hij daar, vol trots,

verbolgen trol, met slechts één hand

hem welbekend, staart ontbloot, op de rots

lachend om krijgersverdriet met ontblote tand.

Lachend, bij de zee, bij de zee

 

“Nu is de dag, mijn bloedwraak genomen,

op jou, vervloekte Ragnar, handenkliever! Ze is omgekomen

in ‘t kille Noorden, alleen en gebroken, aan de voet

van de IJskoningin. Met een simpele leugen, goed

en eenvoudig gesproken, stuurde ik haar heen

naar waarvandaan zij nimmer terug zou keren.

Niets rest van haar, karkas gevreten door wolven, alleen

een warme wind over de wereldzee. Het zal jou ontberen

zolang zon en maan nog schijnen, aan liefdesvuur!”

Met woedeschreeuw onttrok daarop machtige Ragnar zijn wapenstaal

vervuld van godentoorn als nooit tevoren, en met machtige haal

doorkliefde hij trollenborst en wierp aldaar het verradelijk creatuur

dood, in de zee, in de zee

 

En zo geschiedde dat Ragnar, gebroken krijger,

zijn zwaard en schild nederlegde, en vol weemoed

het snelle drakenschip ruilde voor de behendiger

karve, met enkel zeil en enkel doel. Bij ochtendgloed

voer hij uit, alleen, met weinig woorden van vaarwel.

Zuidwaarts, naar warmere wateren, terug naar haar wereldplek

tot de wederontmoetingsdag, wanneer hij in luchtwervel

een bekende geur bespeurd. Dan staat hij fier op dek

armen gespreid en ademt haar lucht in, vaart mijlen

vol van gloeiende hartstocht, terwijl zij hem omarmt

in vlagen. Zwervend, dolend over Zuiderwateren, verwarmd

door die dagen dat hij en zij weer samen zeilen.

Verbonden, op de zee, op de zee

May 06

The Glorious Rebellion

I just read a column (warning: Dutch), about how people in Syria are being raped, molested and murdered while we sleep, shop, go to work, watch movies, and live our decadently peaceful lives. Although the column wasn’t as bad and cliché as I’d expected it to be, it did make me think.

The writer of the piece seemed to have a couple of assumptions, the foremost of which was: rebels good, government/Assad bad. This is, I guess, mostly based on the news that the Syrian government troops are commited all above mentioned crimes against the people of the rebel areas.

Now, I don’t want to pretend that I in any way support what the Assad regime is doing, far from it. But why this inclination to automatically side with the rebels? They’re rather losing the fight right now, but who’s to say they wouldn’t have commited said crimes if they’d been winning? Things have been rather silent on the Libyan front, but last I read on it mainly told about how the post-war country is now largely managed by civilian (formerly rebel) militias, some of which are behaving just as badly as Ghaddafi’s troops had allegedly been. I guess that’s what guns and power do to people.

It’s unfair to judge people on deeds they haven’t commited. So as far as that goes, I’m willing not to black talk the rebels. But this Star Warsesque idea of a benevolent rebel uprising and an evil dominating empire is way too black & white for our grayscale world.

The column ended with a call for discussion. Talk with your friends, collegues, etc. on the matter. Don’t let the subject of the Syrian uprising die a silent death. I’m still sort of failing to see the deeper purpose. So we don’t forget how lucky we are to live in the peaceful West (or put otherwise, how unlucky they are not to)? Or does talking actually help to get peace to the Middle East? And why is Syria more important than Darfur, Somalia, Mexico or Tibet?

As always, blame the media
In the end, most of the information we have is based on the media. What we knows stems from newspapers, television, etc. Although it’s often reported that social media such as Facebook, Twitter and YouTube play a vital role in getting news from the conflict areas to us, how many of us actually check these primary sources? As far as I can tell, we let the journalists do the social media scanning and assume they use the correct sources.

This isn’t bad. That is actually how journalism has been for the past two centuries. Journalism exists to filter sources and bring the important bits to civilians who wish to be up to date about stuff. This is good, it is. But we do need to realise that, because we trust the media to supply us with information, they also get to decide what’s important and what is the right point of view.

I think that one of the biggest reasons we side with the Syrian rebels is that the media mainly reports from their side of things. On top of that, we favour underdogs; the David vs. Goliath story. And again, this isn’t bad. In the end, the rebels are fighting for their freedom and not, for instance, their production of narcotics (unlike some).

A final thought
Rereading this before posting, I figured that perhaps there is too much emphasis on issue-neutrality. I’m not saying that people should stay neutral or not commit themselves to causes, goals or sides. Far from it. Even though I believe we live in a grayscale world, this shouldn’t stop you from choosing black or white, if you find this side is absolutely correct and right. If you think that is the place you should be, be there. I’m trying to point out the unclear process that leads to such positions, not the ‘wrongness’ of the decision itself.

Mar 14

On The Banality Of It All

This is the second time I try to write this article. It might sound rather depressed and hopeless. I just wanted to say I’m neither of these. I’ve just been reading the gloomy kind of literature, and the post-modern kind of music.

This post is about how, finally, I’m beginning to understand a character from the graphic novel The Watchmen, a character called The Comedian. In the comic, it is said he sees the best and the worst in people. Therefore, he calls himself The Comedian. He was a major jackass and not funny at all. I never understood him. Until recently.

In many aspects, The Comedian took the world as it is. He saw how people hurt each other. He also saw how benevolent people could be. He saw the duality of everything, and the indifference of everyday life. It occurred to me early on that it wasn’t him telling the jokes. Somehow, to him, the world itself was the joke. I never understood why he’d find that funny. Now I understand, to him, the world wasn’t comic, it’s ironic. His view of the world is one of pure irony and he actively propagates it, by bringing out the best and the worst in people. He willingly commits the lowest deeds (murder, rape, mutilation, neglect) and sees how, in the big scheme of things, none of it has any signifigance.

I understand that now. After three years of mentally breaking down assumptions and needless clutter, trying to find ‘me’, ‘truth’ or whatever (I’ve come to think I mainly just did it for the heck of it – and because I thought philosophical self-destruction was cool) this is the result: I now understand a comic book character. I must say, I’m quite pleased. There’s just one downside: nowadays, I can’t open a newspaper, especially the opinions pages, without thinking: “What else did you expect?”

Of course the youth is wild and dying on extreme alcohol intake, obscenely loud parties and social isolation. What are we to do? We grew up in a society where everything was taken care of. Everything in our youth was fun, except for school and thinking about our future. We had short-term ego-rewarding videogames, remember? Now, we’re full of testosterone, energy and ideas we believe to be the solution to all the world’s problems. We’ve not yet been tempered by time and there’s nothing to do. No Great War, no Great Religion, no Great Leader, no nothing. There are no important things, so we spend money on useless clothing and useless trips and useless amounts of excessive alcohol. We have so many friends that they’ve mostly become meaningless altogether, because they can be added and subtracted with the click of a mouse button. And what are we to do about it? Why should we do anything at all? We are a generation of Boredom and we’re rather pleased with that. It’s easy to be bored, kick against the walls of the ‘stupid’ government, while at the same time knowing you’ll be taken care of in the end. We’re the nexus of society and we know it.

So people complain. And governments will listen, but only if there’s media attention. And corporations expand, as do economies, and when the abyss is looming before us, we speed up the car instead of hitting the brake, because we’ve never learned how. Perhaps our ride doesn’t even have a break, because who needed those, anyway? Oil keeps being burned, even though we can all see it’s going to end soon and even if it’s not warming up the Earth, it’s still rancid to breath the air of the cities we all clutter ourselves in. Animals are being bred to be killed, and sure we find it sad, but cheap meat is nice and hard to give up on. Our newest generation is growing up on medication, because their predecessors don’t feel like taking care of them – nor do they have time to. Economy has to grow, you know. Money is more useful than time, because you can earn more money, but you can’t earn more time.

In the end, the whole of humanity is just headless chickens, running around and making tiny marks on their age and time. Tiny scratches on a granite surface. We do what we do. We’re the roles we’ve been given, and have given to ourselves. The 99%, the 1%, the elders, the youth, the vegetarians, the Christians, the Muslims, the politicians, the bankers, the dying children of Africa, the NGO’s trying to help them, the underqualified help desk employee, the Chinese middle class. We’re all part of something, whether we like it or not, and we play our parts.

So, in the face of all this banality, what do we do? We put up some music, we read a good book. We take Spanish language courses, because it’s a beautiful language. We meet up with friends, we write silly blog posts. Occasionally, we write poetry.

Isn’t that comic?

Feb 23

Poetry – Coffee (Damp Window)

it was silent and dark
the curtains were drawn
on the small appartment on the third floor
but the damp windows betrayed
there were at least two present inside
either that, or someone likes their showers
hot and dark
(the way I like my coffee)

Jan 31

Poetry – Know Nothing (Keep Quiet)

Here’s a poem I wrote to accompany my last post, about knowing that you don’t know much, if anything at all.

There’s a thing called conformation bias
growing in our heads and it’s not something
we can do much about at all. And so
the human condition rolls onwards.

What noise surrounds me, in the midst of all
these people who, come not to think of it
have nothing to say in particular
but just keep going. And I say nothing.

Cracks in our walls, but our eyes can not see
past the white plaster we’re all so damn proud
of. I’m not shy, I’m just sitting here. And
watching the cracks peel off the plaster. 

Older posts «