So I figured I wanted to post my entry for the WriteNow! contest somewhere, and figured I might as well do it here. It’s in Dutch, and it’s in rhyme. It’s called “Bij de zee” or “By the sea”
Bij de zee
O, Muzen, hoor mijn nederig stem
en breng mij, verlegen man, inspiratie
want ik zal niet dichten, anders dan bij uw gratie.
Niet in de dagen, stel ik met klem,
maar in de nachten zal ik schrijven
in uw naam wedijveren
met de onbekenden van dit land.
O, Erato, schildmaagd van liefdesspraak!
Getuige zij u, van mijn hand!
Kalliope, muze van het epos en de heldentaak
en schone Melpomene, bemind door Zeus
hoor deze tragedie van de kind’ren van Prometheus!
Hoor hen, bij de zee, bij de zee
Het was in een donker land, in Noorderkou,
waar woonde Ragnar, de dappere reiziger
tussen sneeuw en ijs, met zijn schone vrouw,
exotische Shariza. Nu in winden ijziger
dan ooit in haar beminde Damascus
waar de geliefden drie jaar terug ontmoetten.
In de weelde van diens tuinen viel de eerste kus
en hij bad haar: “Kom met me mee, boeten
zullen wij beide, wanneer wij deze zegen
van Freyja, liefdevolle godin, in de wind slaan.
Hier, in Damascus, verenigen zich onze wegen.”
Alsdus bad hij haar mee te gaan.
Mee, over de zee, over de zee
Mooie Shariza, haar huid was donker als
het geteerde hout van Ragnar’s schip. Doch voor hem
was niets zo schoon als de lijn van haar hals,
al was hij een man van de zee, de wind en het wasem
over de koude meren in de morgen.
Beloofd had hij, immer voor haar te zorgen,
maar op een koude septemberavond
kwam een bericht van zijn koning: “Terstond,
hoort nu dan, uw koning in nood, hoor zijn woorden,
een oproep aan alle vrije mannen van het Noorden!
De Frank schreeuwt naar ons zijn wapenspraak
komt allen en volbreng uw zwaardentaak!
Volhard! Over de zee, over de zee”
Het drakenschip lag wachtend, geteerd en zeebestendig,
alle wapenen aan boord en de bemanning behendig.
Voorts stortten zij zich nog eenmaal in drinkgelag
alvorens zij vaarden naar de Frank, de christen.
Zo proostten zij, “Odin!” en spraken over de dag
van hun hemelvader, die rijdt door de misten
op Sleipnir, achtbenig strijdros, tijdens Ragnarok
zoals ook zij zullen proberen
om Hem die de Runen bracht te eren,
door moed tegen Frankse vaandelstok.
Zij brengt hen mede met een lach, maar zij huilt.
Hoopt dat zij haar Ragnar niet voor kille leegte ruilt
Hier, bij de zee, bij de zee
In de grijze flarden van de morgenstond
vertrok hij met zijn broeders. Nog een
laatste maal drukte hij zijn lippen op haar mond.
Een omhelzing, tranen vielen op koude steen
en bevroren daar, waar zij hem het laatst zag
op de rotsen voor de kust van zijn koude land.
Nu wacht zij, aan de waterkant
bij haar tranen, op de dag
van zijn terugkeer. Ze kijkt daarheen
waar hij verdween en spreekt zijn naam,
opdat hij weer bij haar zal zijn en nooit meer zal gaan.
Ze denkt aan hem en zijn schip, thans alleen.
Alleen, op de zee, op de zee
Oktober kwam in stilte, over de oorlog
slechts geruchten van de handelaars.
Geen drakenschepen volgden in hun kielzog,
op hun dekken geen gewonde overwinnaars.
Elke ochtend kwam zij, ongeacht weer, wind of wolven.
In stormen van sneeuw en ijs stond Shariza, vol
verwachting en keek uit over de witte golven.
Volhardend in haar harnas van wol
tegen haar kille tegenstand, de angst, de kou
in elke ademtocht een wens
een gebed aan Goden en aan mens,
“Breng terug de man van wie ik hou.”
Terug, over de zee, over de zee
Zo stil als oktober ging, zo stil kwam de trol,
vermomd als mens, met haar verradelijke staart
weggeborgen in haar rokken, met kennis vergaard
over deze vrouw aan de zee, in harnas van wol,
wachtend op haar Ragnar. Trotse man,
bedreven in de zwaarddans, zoals de trol wist
want aan zijn zwaard had zij haar hand verkwist.
Vol van wraak, had zij een plan,
maar groette Shariza gelijk een oude vriendin, daar op de klif
“Op wie wacht jij, hier in de koude, arm kind?
Zoveel ijs voor een mens, is als gif,
kom hier en stap uit de wind,
die blaast, van de zee, van de zee”
“Op mijn man wacht ik, oude vrouw,
hij vecht voor de koning, tegen de Frank.
Dus ik sta hier, kijk over het waterblauw
wacht op zijn woordenklank.”
“Ach vrouw, wie is deze dappere krijger, op wie
gij wacht?” vroeg de trol met gedachten
vol venijn. “Ik wacht op Ragnar, die
mij voor het laatst kuste, hier, nachten
en nachten geleden.” De trol schudde haar hoofd.
“Ach arme kind, ik had het niet geloofd;
u zijt Shariza, en dit doet mij veel verdriet
‘t was in een storm dat hij zonk en het leven liet
in de kilte van de zee, van de zee”
Edele Shariza riep uit, in verdriet: “O wee is mij,
hier alleen achtergebleven in de Noorderkou
zonder mijn Ragnar, koene krijger van wie ik hou!
Wat rest mij nu, dan mij te voegen bij
hem, hier aan de bodem van de kliffen, tussen ijs
en zee, gebroken, maar immer aan zijn zijde.”
Doch dit was geen afdoende prijs
voor de trol, haatdragend, die haar benijdde
en stelde: “Driewerf nee, jij dwaze vrouw!
Er is nochtans een pad om hem te vinden.
Reis naar de torens van de IJskoninginnen,
vertel van rouw en liefdessmart, en zij helpen jou.”
Aldus zei zij, bij de zee, bij de zee
Zo geschiedde dat zij, schone Shariza, het pad
naar het Hoge Noorden ondernam, onder de hemelsfeer
waar nochtans de zon nooit schijnt. Dagen van weleer
met haar Ragnar nog in gedachte, opdat zij niet vergat;
haar doel, haar taak, daar, in de eeuwige winternacht
van de IJskoninginnen. Zij liep door sneeuw, door ijs,
immer naar het licht van golvende Aurora. Haar kracht
vergleed, haar zicht nam af. En zo eindigde haar reis
aan de voeten van de Vierde Koningin, sneeuwblind en de dood
nabij. “Lieve Koningin!” sprak Shariza zwak. “Hoor,
mijn laatste bede, voel in uw hart, zie het mijne, door
groot verlies gebroken. Breng mij naar Ragnar’s schoot
verloren, in de zee, in de zee”
De IJskoningin zag en zij zag alles, verraad en pijn
en eenzame tocht van moedig vrouw in harnas van wol
door weer en wind geslagen. “Ik moet eerlijk zijn,
edele vrouw, want ik heb geen hart en ben slechts vol
van niets dan ijs en kille waarheid. U zijt bedrogen
door verradelijke trol, vol van haat. Zij heeft gelogen
over koene Ragnar, machtig krijger, verloren op zee.
Hij leeft nog immer, verlangt naar u, haard en stee ,
de strijd met de Frank welhaast beslecht. Spoedig
zal hij wederkeren, doch u niet vinden. Lieve kind,
slechts dit kan ik doen: ik maak van u een Zuiderwind,
de warme passaat in zijn zeilen, voor eeuwig
dwalend over de zee, over de zee”
Nochtans bevroren haar laatste zilte tranen op
haar aangezicht. Het brandende gevoel van kilte stierf langzaam
weg en zo ook de verslagen vrouw. In straffe galop
reden de Walkuren reeds op haar aan. Eenzaam,
bevroren, liet Shariza haar eindademtocht
ontsnappen, glippen door bepantserde hand
van Odin’s schildmaagd. En over het ijzig land
stuurde de Koningin haar, naar de horizon zo lang afgezocht
door verlangende blik, daar op de klif
waar haar bevroren tranen grif
bedekt werden door sneeuw en vergetelheid.
Nimmermeer zal zij daar staan, in de ochtendtijd,
spiedend, naar de zee, naar de zee
Het was in een donker land, in Noorderkou,
waar koene strijder Ragnar terugkeerde naar zijn vrouw,
schone, exotische Shariza. Zijn schip zeilde binnen
met eerste lentewarmte en dauw, zijn zinnen
gezet op welkomstmaal en warme omhelzing.
Maar waar hij zocht, daar vond hij niet,
want zijn huis was leeg, koud en verlaten. Verdriet
overmande hem, en zo beriep hij, stem gebroken, de Thing,
waarin hij sprak: “Waar is nu mijn hartenlief?
Waarom is zij niet in mijn stee, mijn hoeve?
Vertel mij, vrije mannen van vredesgerief
wat gebeurde er, dat mij nu zo bedroeve,
hier, bij de zee, bij de zee?”
Geen wederspraak volgde, allen bleven het antwoord schuldig,
Shariza was maanstonden geleden verdwenen,
slechts de goden wisten waarheen. Zij schudden veelvuldig
hun bitter gelaat, en vertelden over de klifstenen
waar zij gestaan had, in weer en wind,
in harnas van wol, wachtend op haar man.
Zo toog Ragnar naar de klif, waar zijn vrouw, zo bemind
had gestaan, haar tranen gedooid, vervlogen en van
steenbodem gevaagd. Aldus trof hij daar, vol trots,
verbolgen trol, met slechts één hand
hem welbekend, staart ontbloot, op de rots
lachend om krijgersverdriet met ontblote tand.
Lachend, bij de zee, bij de zee
“Nu is de dag, mijn bloedwraak genomen,
op jou, vervloekte Ragnar, handenkliever! Ze is omgekomen
in ‘t kille Noorden, alleen en gebroken, aan de voet
van de IJskoningin. Met een simpele leugen, goed
en eenvoudig gesproken, stuurde ik haar heen
naar waarvandaan zij nimmer terug zou keren.
Niets rest van haar, karkas gevreten door wolven, alleen
een warme wind over de wereldzee. Het zal jou ontberen
zolang zon en maan nog schijnen, aan liefdesvuur!”
Met woedeschreeuw onttrok daarop machtige Ragnar zijn wapenstaal
vervuld van godentoorn als nooit tevoren, en met machtige haal
doorkliefde hij trollenborst en wierp aldaar het verradelijk creatuur
dood, in de zee, in de zee
En zo geschiedde dat Ragnar, gebroken krijger,
zijn zwaard en schild nederlegde, en vol weemoed
het snelle drakenschip ruilde voor de behendiger
karve, met enkel zeil en enkel doel. Bij ochtendgloed
voer hij uit, alleen, met weinig woorden van vaarwel.
Zuidwaarts, naar warmere wateren, terug naar haar wereldplek
tot de wederontmoetingsdag, wanneer hij in luchtwervel
een bekende geur bespeurd. Dan staat hij fier op dek
armen gespreid en ademt haar lucht in, vaart mijlen
vol van gloeiende hartstocht, terwijl zij hem omarmt
in vlagen. Zwervend, dolend over Zuiderwateren, verwarmd
door die dagen dat hij en zij weer samen zeilen.
Verbonden, op de zee, op de zee